Column
Meeting of minds?
29-4-2009 - Carmen Peters
Mijn dochter en ik buigen ons over een schematische tekening van de hersenen. Die bevat zeker een stuk of veertig labels met geneeskundige termen.”Tot welk deel van de hersenen behoort deze doorsnede?,” vraagt mijn dochter. Ze wijst op enkele zenuwbanen die zijn omcirkeld. Ik zoek even in mijn geheugen en vind de temporaalkwab. Die zit achter je oor. Sinds ik Ben ik dat? van Mark Mieras heb gelezen, probeer ik mezelf de vier grote hersenkwabben en hun locatie in te prenten. Dat valt nog niet mee. Ik heb het boek ongeveer een jaar geleden gelezen en in mijn werk gebruik ik die stof niet. Een halfjaar later weet ik niet meer precies hoe de hersenkwabben ook alweer heten en waar ze zitten. Vooral de plaats van de pariëtaalkwab en de occipitaalkwab haal ik door elkaar. Hoe moet dat bij mijn dochter zijn? Ze moet deze week niet alleen veertig nieuwe namen voor delen van de hersenen leren, maar ook nog de gyri en sulci. Eerstejaars geneeskunde, jonge hersenen dus nog.
In mijn hoofd bevinden zich nevelige flarden van wat ik nog weet van het boek van Mieras. Een van die flarden gaat over een deeltje in de hersenen dat een alarmbel doet rinkelen als er iets niet klopt. Dat is een buitengewoon nuttig deeltje. Het kan ons behoeden voor een ongeluk of erger. Ik vraag me af of dit deeltje van de hersenen zich alleen bezighoudt met zintuiglijke input die niet klopt. Want er is nog zo’n mechanisme, maar dan voor cognitieve input. Onder vakgenoten staat dit bekend als het verschijnsel cognitieve dissonantie. Dat doet zich voor als we nieuwe informatie ontvangen die niet klopt met wat er al aan informatie in onze hersenen is opgeslagen of die nergens bij past. Het kan geen plekje krijgen binnen onze kennisstructuren. Het werkt als kleefkruid, zo’n bolletje met veel weerhaakjes. Zo’n ding blijft haken. Het is iets wat niet makkelijk door de gepolijste kanalen heen komt. Maar ook iets dat niet zomaar van je trui afvalt.
Het mechanisme treedt ongevraagd in werking. Het gaat buiten onze wil om. Aan het eind van een werkdag besef je opeens dat er een achtergrondproces in je hoofd gaande is dat de hele dag al bezig is met iets wat je eerder die dag bent tegengekomen. Het kleefkruid is niet zomaar op de grond gevallen, weg en vergeten. Dat gebeurde ook met een tekst die ik niet zo lang geleden per e-mail binnenkreeg.
Ik las de bewuste tekst en plak… blijft er ergens zo’n bolletje kleefkruid steken. De tekst die dit teweegbrengt, is een tekst van het gerenommeerde Amerikaanse onderzoeksbureau Gartner. Dat bureau verstrekt adviezen over ICT-beleid in het hoger onderwijs.
Het kleefkruidje dat blijft hangen is het volgende: In higher education it is about meeting of minds, not about bringing together bodies.
Meeting of minds? Ontmoetingen van de geest? Van gedachtewerelden? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Hoe gaat dat binnen de driehoek studenten, docenten en onderzoekers, als ze elkaar niet meer fysiek ontmoeten? Kan dat wel, willen de studenten dat wel? Deze vragen houden mij bezig, omdat we nadenken over de vraag hoe de elektronische leeromgeving er in de nabije toekomst uit gaat zien. De komende jaren zal zich een verandering voordoen die de 1000 jaar oude tradities binnen het wetenschappelijke metier zullen omvormen. Aldus Gartner.
Als ik Gartner moet geloven, kunnen die universiteitsgebouwen misschien wel weg. Dat zou veel geld schelen, want binnen onze universiteit wordt het meeste geld op dit moment gereserveerd voor (ver)nieuwbouw. Als dat alles nu eens onnodig is, die nieuwbouw, die college- en werkgroepruimtes, die ontmoetingsplaatsen? De student kan het hoorcollege bekijken dankzij een videoregistratie die online wordt gezet; de student hoeft zijn kamer niet meer uit; de content kan hij digitaal benaderen via de universiteitsbibliotheek of via Blackboard; de student heeft digitale toegang tot de boeken, artikelen, oefententamens en zelftests; alleen voor practica en mondelinge presentaties komt hij nog naar de campus; zelfs voor een samenwerkingsopdracht hoeft de student de deur niet meer uit.
Ik geloof er tegelijkertijd helemaal niets van. Laat ik het even bekijken vanuit het perspectief van de student, een van de belanghebbenden uit de driehoek student, docent en onderzoeker. Ik vraag me af of academische en sociale integratie voor een student mogelijk is, zonder dat hij persoonlijk contact heeft met de mensen die hem inwijden in de academische en disciplinaire mores. En zonder dat hij kan sparren met zijn medestudenten.
Studenten willen het enthousiasme voelen dat een docent of een onderzoeker tentoonspreidt als hij college staat te geven. Zij willen de prikkeling ervaren als de docent een vraag stelt aan de zaal en zij een moment zelf na moeten denken. Zij willen af en toe meegenomen worden in de maalstroom van zo’n college, waarbij de auditieve input wordt gecombineerd met het waarnemen van de stemming van de docent, en met wat hij of zij nog meer uitstraalt. Als je niet geregeld op de universiteit aanwezig bent, kun je ook niet voelen welke plaats je als student inneemt in de pikorde binnen je discipline. Je weet evenmin hoe een academische discussie binnen jouw discipline verloopt, en je kunt niet afkijken hoe je daaraan kunt deelnemen door zorgvuldig formuleren, door slimme toonzetting en omtrekkende bewegingen. Hoe leer je daarin vallen en opstaan en hoe leer je daarmee te spelen als je niet zelf naar de campus komt?
En opeens kan ik het kleefkruidje laten vallen en voor altijd achterlaten in dorre eenzaamheid. Ik bedenk dat Gartner het woord education heeft veronachtzaamd. Wij zitten op de universiteit en dat is niet een bedrijf dat alleen maar kennis produceert. We leiden namelijk studenten op. Ze nemen niet alleen kennis tot zich, maar ze worden ook ingewijd in de academische en disciplinaire mores. Dat is wat we aanduiden als identiteitsontwikkeling. De professionele identiteit om precies te zijn. Als iemand een proces van academische identiteitsontwikkeling kent waarbij dat slechts via de weg van de meeting of minds plaatsvindt, houd ik me aanbevolen.
Personalia
Carmen Peters is Hoofd van de afdeling Hoger Onderwijs van het Onderwijscentrum van de Vrije Universiteit.