Column
Over Open Access
8-12-2008 - Nol Verhagen
Open Access is in kringen van bibliothecarissen nationaal en internationaal al geruime tijd een buzzword. Geen beleidsnota van bibliotheken of consortia of Open Access staat in het centrum van de goede bedoelingen. Er is wereldwijd een groep Guru’s ontstaan, onder leiding van eminente ‘advocates’ als Alma Swann en de almaar door bloggende Peter Suber, die alleen nog maar over Open Access lijken te kunnen praten, en die, gevolgd door een schare bewonderaars, van congres naar congres trekken om het evangelie van Open Access te prediken. Vooral aan elkaar, overigens.
Wat is er immers mooier dan dat iedereen, van hooggeleerd tot laaggeschoold, vrijelijk toegang heeft tot alle resultaten van wetenschappelijk onderzoek? Vooral, zeggen de moralisten van de openbare financiën erbij, als die resultaten geboekt zijn op rekening van de arme belastingbetaler! Wie zou die belastingbetaler het recht ontzeggen om dan ook te profiteren van zijn zuur verdiende centjes? Wat jammer nou dat onlangs bleek dat zelfdiagnose op basis van vrijelijk beschikbare medische informatie in veel geval leidt tot onnodige en mogelijk zelfs schadelijke consumptie van medische hulp, maar dat terzijde…
Wat staat de komst van het Open Access Paradijs op Aarde dan nog in de weg? U raadt het al: gemene, op geld beluste uitgevers die, slinks gebruik makend van het auteursrecht, hun vette winsten opstrijken, daarbij ook nog eens parasiterend op de bereidheid van door de universiteiten (en dus alweer door de belastingbetaler) betaalde referees om gratis voor de uitgevers de door auteurs aangeboden waren op hun merites te beoordelen. Het auteursrecht geeft die lelijkerds een monopolie op de kostbare publicaties van ‘onze’ auteurs en ‘wij’ hebben het nakijken – of liever, moeten onze eigen publicaties terugkopen in de vorm van wetenschappelijke tijdschriften, die almaar duurder en duurder worden…
Opmerkelijk is dat het vooral bibliothecarissen en door hen ingefluisterde universiteitsbestuurders zijn die je hier vol vuur, en soms verontwaardiging, over hoort praten. Op een enkele bevlogen wetenschapper na, is het van de kant dan de onderzoekers bedenkelijk stil. Er zijn dan ook nogal wat kanttekeningen te plaatsen bij het hierboven geschetste OA-paradigma.
In de eerste plaats bij dat beeld van de schraperige uitgevers die maar op geld uit zijn. Verreweg de meeste wetenschappelijke uitgevers, zelfs de commerciële onder hen, zien zichzelf ook en oprecht als dienaars van de wetenschappelijke communicatie. En in ieder geval beseffen ze beter dan de meeste universiteitsbestuurders dat het de wetenschappers zelf zijn die in het proces van wetenschappelijke communicatie centraal moeten staan. Vergeet niet dat heel veel wetenschappelijke tijdschriften, ook als ze worden uitgegeven door commerciële uitgevers, hun oorsprong vinden in of zelfs nog steeds eigendom zijn van de zogenaamde Learned Societies, en dus inderdaad afkomstig zijn uit de kringen van de wetenschappers zelf.
En is het wel zo slecht gesteld met de beschikbaarheid van wetenschappelijke informatie? Eigenlijk is daar juist door toedoen van de uitgevers de afgelopen tien jaar heel veel in verbeterd. Door de ontwikkeling van het concept van de ‘big deal’ hebben heel veel universiteiten over de hele wereld nu voor ongeveer hetzelfde bedrag als ze vroeger aan een beperkt aantal gedrukte tijdschriften besteedden toegang tot een vrijwel onbeperkte hoeveelheid digitale tijdschriften – niet alleen een enorme toename in de hoeveelheid ‘content’, maar ook een kolossale verbetering van de functionaliteit. En onze gebruikers lusten er wel pap van: de ‘price per download’ daalt nog steeds, ondanks de ook al door veel bibliothecarissen vermaledijde ‘price caps’ (prijsverhogingen) van 5 % per jaar. Bovendien hebben we met ons allen in Nederland en een groot deel van de Westerse wereld de afgelopen jaren heel veel geld gestopt in programma’s als DARE, en nu weer in DRIVER, om allerwegen Institutional Repositories in te richten waarin we dan onze publicaties kunnen archiveren en toegankelijk kunnen maken. Auteurs plaatsen, vaak met instemming van hun uitgevers, een zogenaamde postprint versie van hun publicaties op hun eigen website of op een preprint server (die soms gek genoeg vooral postprints blijkt te bevatten).
Waar zijn die op winst beluste uitgevers eigenlijk voor nodig? Het antwoord is even simpel als onontkoombaar: omdat wetenschappers een onafhankelijke partner willen hebben die op internationaal niveau het peer review proces organiseert, die zich werkelijk druk maakt over de kwaliteit van een publicatie, die hen zo nodig helpt met de vertaling van hun werk, die hen indirect aan status helpt door de internationale ranking van tijdschriften, en die ervoor zorgt dat er een betrouwbare ‘enige echte’ versie van de publicatie is waar tot in de eeuwigheid op kan worden teruggegrepen voor citaties en dergelijke.
En dat auteursrecht? Tja, dat is nu eenmaal de currency van het intellectuele eigendom. Het betaalmiddel waarmee de auteur zijn schuld jegens de uitgever aflost en die de uitgever vervolgens kan omzetten in harde valuta door ons onze eigen artikelen terug te laten kopen J.
En nu ik het toch over geld heb, de wereld zou toch niet alleen mooier worden door Open Access, maar ook goedkoper? Nou, de wereld misschien wel, maar wij, Nederlandse universiteiten en bibliotheken, niet. De kosten van uitgeven verdwijnen niet als ze verplaatst worden van de achterdeur (in de vorm van abonnementen) naar de voordeur (in de vorm van zogenaamde auteursbijdragen). En ook de wens van uitgevers om wat te verdienen zal niet door de hitte van de goede bedoelingen verdampen. Open Access zal in veel gevallen simpelweg een ander business model zijn onder het proces van wetenschappelijke communicatie. Een business model waarbij instellingen die veel publiceren ook veel gaan betalen voor het uitgeven van ‘hun’ publicaties – in het geval van Nederlandse universiteiten waarschijnlijk aanzienlijk meer dan ze nu uitgeven aan het ‘terugkopen van hun eigen artikelen’ door middel van abonnementen (wat trouwens natuurlijk een lelijke drogredenering is).
Ben ik nu tegen Open Access? Helemaal niet!! Open Access kan een belangrijke toegevoegde waarde hebben, maar dan juist niet op de gebieden waar de meeste Open Access initiatieven zich nu op richten, namelijk de wereld van Science, Technology and Medecin – daar functioneert het bestaande paradigma immers juist heel aardig. Ik denk dat Open Access goed van pas kan komen voor publicaties die via de bestaande kanalen minder ‘aan de bak’ komen. Een goed voorbeeld zijn de digitale dissertaties die alle universiteiten via hun repositories nu al standaard in Open Access publiceren. Denk verder aan andere typen publicaties die nauwelijks of soms helemaal niet verspreid worden: master scripties, niet-Engelstalige tijdschriften in de alfa- en gammasfeer, en vooral de zogenaamde Grijze Literatuur. Allemaal uitgaven die niet of veel minder bemoeienis behoeven van uitgevers en die doorgaans ook veel minder auteursrechtperikelen met zich meebrengen. En waarbij de toegevoegde waarde van Open Access veel groter is dan in de wereld van Science, Technology and Medecin.
Nol Verhagen is directeur van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam