Column
Duur is niet altijd goed
28-6-2008 - Paul Kirschner
Met verbazing las ik een artikel op bladzijde 2 van de NRC van zaterdag 17 mei jl. Daarin werd gesteld dat goede lesmethoden meer kosten dan wat de overheid gaat betalen voor schoolboeken. Dit wil ik niet bestrijden, omdat dit heel goed het geval kan zijn. Wat ik wel wil bestrijden is dat er een verband wordt gelegd tussen lesmethoden die goed zijn en lesmethoden met “grote kleurenfoto’s, veel grafieken, tabellen en kaartjes”, zoals de heer Hans van Drunen het uitdrukte toen hij het over een aardrijkskundemethode had. Nogmaals, het kan zijn dat die methode kwalitatief goed is, maar het is onzin om te doen alsof de kwaliteit van een methode wordt bepaald door de hoeveelheid toeters en bellen die in een methode zitten.
Ik bestudeer al dertig jaar het gebied ‘tekstkenmerken en leerprocessen’, dat wil zeggen de invloed van allerlei aspecten van een tekst op hoe en wat men leert. Voorbeelden van tekstkenmerken zijn: lettertype en –grootte, illustraties in allerlei vormen, accentuering van tekst, het gebruik van tussentijdse vragen, leerdoelen of toetsvragen, het samenspel van tekst en beeld en ga zo maar door. Vanuit die achtergrond weet ik dat niet de grootte, de kleur of de waarheidsgetrouwheid van een illustratie (“grote kleurenfoto’s") bepaalt of die illustratie het leren faciliteert, maar de functie van de illustratie en het gebruik van soms subtiele accentueringen in de illustratie.
Kleur is bijvoorbeeld alleen nuttig als het een wezenlijke functie vervult. In alle andere gevallen leidt kleur meestal af (en verhoogt het de prijs). Het accentueren van een zwartwitte tekening met een steunkleur heeft, bijvoorbeeld, veel meer invloed op het zien en leren van saillante details of belangrijke elementen dan een waarheidsgetrouwe kleurenfoto. Veertig jaar internationaal onderzoek wijst dit uit.
Verder is het maar de vraag of een leerboek stampvol moet zitten met “grafieken en tabellen”. Onderzoek, zowel 40 jaar geleden uitgevoerd met gedrukte teksten als zeer recent uitgevoerd op het gebied van computerondersteund samenwerkend leren, wijst uit dat het vaak veel beter is om leerlingen zelf grafieken en tabellen te laten maken dan ze kant-en-klaar aan te bieden. Men spreekt hier van het construeren van een representatie als een mathemagenische (letterlijk: lerenbarende) activiteit. Om een tabel of grafiek te maken moet je de leerstof eerst actief verwerken om het daarna te transformeren in een andere vorm. Met andere woorden, diepe verwerking van de leerstof. Als dit gedaan wordt samen met anderen in de klas, kan dat leiden tot verschillende representaties van dezelfde data of informatie. Daardoor kunnen de leerlingen ook zien wat het nut en de functie van de verschillen zijn!
Dan hebben wij de “kaartjes”. Omdat het over een aardrijkskundemethode gaat, ga ik er gemakshalve van uit dat het om land- of geografische kaarten gaat. Elke leerling in Nederland beschikt op school of thuis over een of meer computers en een verbinding met het Internet. Als men echt over mooie, up-to-date kaarten wil beschikken kan men beter de hedendaagse informatie- en communicatievoorzieningen gebruiken. Daar vinden ze kaarten die meer actueel zijn dan de kaarten in de boeken – iets dat met de bijna dagelijks veranderende landsgrenzen en namen geen overbodige luxe is. Die kaarten zijn bovendien ook nog manipuleerbaar, projecteerbaar, in frames met elkaar te vergelijken, enzovoorts.
Waarom zou je een duur aardrijkskundeboek of een dure atlas uit 2008 kopen met kaarten die gemaakt zijn in 2006 die de leerlingen alleen maar kunnen bekijken? Met voorzieningen als Google Earth® of Microsoft Virtual Earth®, kunnen leerlingen 2D en 3D schaalbare, draaibare en op kijkhoogte en kijkhoek manipuleerbare kaarten – zodat hoogteverschillen te zien zijn – oproepen die topografisch, geografisch of zelfs met gesuperponeerde teksten te bewerken zijn.
Tot slot spreekt van Drunen over Belgische en Ierse lesboeken met “weinig plaatjes” en stelt: “Het sluit niet aan bij wat de hedendaagse leerling nodig heeft”. Ik ben echt benieuwd waar hij deze uitspraak op baseert. Welk onderzoek, laat staan corpus aan onderzoek, heeft hij gevonden dat bewijst dat veel plaatjes iets is dat “de hedendaagse leerling nodig heeft”, om beter te leren neem ik aan?
Nogmaals, dit is mijn vakgebied en ik ben die onderzoekingen niet tegen gekomen. Ik denk dat hij misschien bedoelt dat veel plaatjes in een boek iets is dat de hedendaagse leerling wil. Hierover het volgende. Er is wél een corpus aan onderzoek dat uitwijst dat wat een leerling graag wil en wat het beste is voor het leren van die leerling vaak niet met elkaar overeenkomen of zelfs tegenstrijdig zijn. Een geprefereerde leeraanpak/-strategie is niet hetzelfde als een doeltreffende leeraanpak/-strategie. De geprefereerde leeraanpak kan zelfs mathemathantisch (letterlijk: lerendodend) zijn. Wij horen dergelijke uitspraken vaker: we moeten het onderwijs opleuken, we moeten meer aansluiten bij de MTV-aanpak, hedendaagse leerlingen kunnen multitasken… Maar helaas, hoe aannemelijk deze leuzen ook klinken, ze zijn nergens op gebaseerd.
Postscript: Wat geldt voor leerboeken geldt ook voor e-learning materialen en -methoden en onderwijs websites in het algemeen. Het is tegenwoordig eenvoudig websites te bouwen die op kerstverlichting lijken. Om irrelevante of ineffectieve animaties, illustraties en dergelijke in het materiaal in te bouwen omdat het zonder al te veel moeite kan en niet omdat het een bewezen effect heeft. Om lerenden te sturen naar andere websites via hyperlinks zo dat zij niet meer bezig zijn met waar zij ‘horen’ bezig te zijn. Om tools in het materiaal in te bouwen zodat de lerenden passieve invoerders worden maar niet precies weten wat zij invoeren en waarom. Alleen hier is het niet duur in termen van geld, maar duur in termen van weggegooide tijd en inzet van allen, en vooral van de lerenden.
Paul Kirschner is hoogleraar psychologie en levenslang leren aan de Open Universiteit en hoogleraar onderwijsprychologie en ict aan de Universiteit Utrecht. Hij houdt zich bezig met onderzoek naar levenslang leren in de professies, ontwikkeling van interactie in het leren en onderwijs, computerondersteunde samenwerkende leeromgevingen en webgebaseerde kennisgemeenschappen.