Quick Scan ICT-gebruik: zicht op de praktijk en op het groeipotentieel
  • Quick Scan ICT-gebruik: zicht op de praktijk en op het groeipotentieel
  • Artikel

     

    Quick Scan ICT-gebruik: zicht op de praktijk en op het groeipotentieel

    22-9-2009 - Harm Weistra en Ria Jacobi

    Weinig instellingen brengen het ICT-gebruik en de ambitie van docenten en studenten systematisch in kaart. De Quick Scan ICT-gebruik van het ICLON (Universiteit Leiden) biedt daartoe de mogelijkheid. De scan geeft een beeld van het feitelijk en het gewenste gebruik, en van de factoren die daarop van invloed zijn. Het onderwijs krijgt daarmee zicht op de inzet van ICT als ook handvatten voor professionaliseringsinterventies en voor het (versneld) verspreiden van kennis en ervaring die in de organisatie is opgedaan.

    Docenten- en studentenscan
    De Quick Scan kent twee elektronische vragenlijsten. Eén voor docenten en één voor studenten.

    De docentenscan meet de volgende zaken: 1. het feitelijk gebruik van de beschikbare ICT-middelen; 2. het gewenste gebruik onder docenten (ambitie); 3. de ervaringen van docenten met ICT (o.a. het nut en het gebruiksgemak); 4. factoren die het gebruik beïnvloeden; 5. achtergrondkenmerken van de respondenten.

    De studentenscan meet: 1. de waardering van studenten voor de beschikbare ICT (de belangrijkste functionaliteiten, de bereikbaarheid, de gebruiksvriendelijkheid en de inzet binnen het onderwijs); 2. de door hen gewenste inzet van ICT-middelen (ambitie); 3. privégebruik van ICT-middelen (potentieel); 4. achtergrondkenmerken van de respondenten.

    Beperkt gebruik ICT
    De tot nu toe uitgevoerde scans laten zien dat ICT binnen het hoger onderwijs vooral wordt gebruikt voor communicatieve en logistieke doeleinden. Digitaal toetsen, portfoliomanagement en projectonderwijs, worden nog relatief weinig ingezet. ICT lijkt nog amper te worden gebruikt voor het ontwikkelen van nieuwe onderwijsvormen.

    De scans laten elke keer weer zien dat docenten significant hoger scoren op het nut dan op het gebruiksgemak van de beschikbare ICT-faciliteiten. De docenten onderkennen dus het belang van ICT voor het onderwijs, maar zij geven aan dat het (leren) gebruiken van die middelen lastig is. In een in 2005 voor de Stichting SURF uitgevoerd grootschalig en representatief onderzoek onder docenten in het hoger onderwijs kwam hetzelfde beeld naar voren. In dat onderzoek scoorde ruim 90% van de docenten positief op het nut van ICT in het onderwijs; ruim 54% daarentegen was negatief over het gebruiksgemak (Weistra, 2005, p. 4). Dit is een belangrijke constatering bij het opnieuw organiseren van professionaliseringsinterventies.

    Uit het SURF-onderzoek bleek ook de cruciale rol van het docententeam en het management voor de inzet van ICT. De scan meet in hoeverre docenten samenwerken, een gemeenschappelijke visie hebben en op elkaar kunnen terugvallen als het gaat om de inzet van ICT en het meet hoe docenten de ondersteuning vanuit de leidinggevenden ervaren. De afgenomen scans laten zien dat op deze beide aspecten bij veel instelling nog veel te winnen is. Wijngaards (2007) schrijft daarover: “Het management zal leiding moeten geven aan de sociale dimensie van innoveren. Zelf zullen de leidinggevenden een passie moeten uitstralen voor veranderingen en een duidelijke visie op de gewenste ontwikkelingen moeten communiceren.” De scans bevestigen dit beeld: ICT wordt meer en breder ingezet als teams beter samenwerken en als docenten het management als ondersteunend ervaren.

    Docentenscan
    De aanleiding voor een instelling om de Quick Scan ICT-gebruik uit te zetten, is divers. Twee voorbeelden uit de praktijk beschrijven elk een reden.


    Praktijkvoorbeeld vanuit een Universiteit
    Een faculteit van een Nederlandse universiteit was bang dat het opnieuw aanbieden van Blackboard-cursussen geen toegevoegde waarde zou hebben. Voor het stimuleren van het ELO-gebruik zag men meer heil in het koppelen van ervaren docent aan minder ervaren collega’s. De Quick Scan meet de mate het ELO-gebruik tot op functionaliteitniveau. Docenten geven aan hoe vaardig zij denken te zijn in het toepassen van de beschikbare middelen. De scan meet daarnaast welke toepassingen zij beter zouden willen leren. Daarmee wordt op detailniveau het huidige gebruik van ICT weergegeven en welke wensen er leven ten aanzien van de inzet in de (nabije) toekomst. Omdat de faculteit had besloten de scan niet anoniem af te nemen, was het op basis van de uitkomsten mogelijk om ervaren docenten te koppelen aan docenten die hadden aangegeven bepaalde ICT-middelen te willen inzetten. Daarmee maakte de scan professionaliseringsinterventies mogelijk op de werkvloer en binnen de directe context van het onderwijs. Een aanpak die aansluit bij aanbevelingen zoals van Wijngaards (2007) die pleit voor projecten die “….. binnen de specifieke context van een opleiding het leren op de werkvloer (…) verbeteren. Kleine, noodzakelijke maar overzichtelijke stappen in het voortdurende innovatieproces van een instelling naar vernieuwend leren.” Anders gezegd, concrete, één-op-één ondersteuning van docenten is een beter middel dan generieke, op een groep afgestemde trainingen of opleidingen.

    Praktijkvoorbeeld vanuit een Hogeschool
    Een Nederlandse hogeschool had – zoals de opdrachtomschrijving aangaf – “behoefte aan zicht op het feitelijke gebruik van ICT in het onderwijs, om beleid te ontwikkelen op het gebied van professionalisering van het personeel.” De hogeschool had geïnvesteerd in een ELO en in nogal wat vakspecifieke ICT-middelen. Er was evenwel weinig zicht op het gebruik binnen het onderwijs. Wel bestond de indruk dat het gebruik nogal uiteenliep bij de verschillende docenten en binnen de afzonderlijke opleidingen. De verschillen in het gebruik geven zicht op best practices en daarmee zicht op interessante terreinen voor kennisuitwisseling tussen afdelingen, opleidingen en/of docenten.

    Zo organiseerde een van de opdrachtgevers een interne kennismarkt op basis van de uitkomsten van de scan. De afzonderlijke opleidingen kregen daarbij de gelegenheid om een toelichting te geven op hun best practices die op basis van de scan was opgevallen. Zo maakte de ene opleiding volop gebruik van het portfoliosysteem, en had een andere opleiding de ELO ingericht voor projectonderwijs en was een derde bedreven in het digitaal toetsen. Na een centrale uitleg en demo, konden de docenten en ICTO-coördinatoren van de opleidingen elkaar op de kennismarkt ontmoeten. Dit leidde tot afspraken over het uitwisselen van kennis en ervaring, wat leidde tot een versnelde verspreiding van kennis en ervaring binnen de hogeschool. 

    De studentenscan
    In beide instellingen is ook de studentenscan afgenomen. Zoals was te verwachten, laten de studentenscans zien dat het gebruik van ICT voor studenten een gegeven is. Zowel privé als voor de studie wordt een scala aan informatie- en communicatiemiddelen gebruikt. Maar bij elke afname wordt een groot verschil gemeten tussen de manier waarop studenten individueel en onderling die middelen inzetten voor hun studie en de manier waarop de inzet van die middelen door de opleiding wordt vereist. Grafiek 1 laat zien welke middelen de studenten van een van de onderzochte opleidingen uit zichzelf inzetten ter ondersteuning van hun studie, terwijl grafiek 2 laat zien welke middelen worden gebruikt binnen het formele onderwijsprogramma.



                 Grafiek 1

     

                
    Grafiek 2

     

    Door en voor de opleiding worden alleen e-mail en (beperkt) de mobiele telefoon gebruikt, terwijl individueel en onderling ook ruimschoots gebruik wordt gemaakt van messenger (bijvoorbeeld MSN), sms en netwerksites als Hyves. Welk waardeoordeel daaraan moet worden gegeven, is lastig te zeggen. De conclusie kan wel zijn dat de inzet van meer en/of andere middelen voor de studenten geen probleem zal zijn, noch in beschikbaarheid van de middelen, noch in de acceptatie van het gebruik.  

    Momentopname
    Dit scans zijn bedoeld als een momentopname. Ze geven een goede indicatie van het feitelijke en gewenste gebruik, en zijn bedoeld als een eerste diagnose. Daarnaast bieden de scans handvatten voor gerichte vervolgactiviteiten als ook suggesties voor nader onderzoek. Omdat het invullen van de scan relatief weinig tijd kost (een kwartier), is het een geschikt middel om op gezette tijden – bijvoorbeeld jaarlijks – de stand van zaken op te nemen. Het biedt daarmee de mogelijkheid om de inzet van ICT in de tijd bij te houden en de uitkomsten te vergelijken met die vanuit andere instellingen.

    De scans zijn digitaal beschikbaar Meer weten over de Quick Scan ICT-gebruik kunt u terecht bij Ria Jacobi (rjacobi@iclon.leidenuniv.nl).

     

    Literatuur

    Weistra, H.K. (2005). ICT in het Hoger Onderwijs. Onderzoek naar een beslissingmodel voor professionaliseringsinterventies op basis van het gebruik van en attitude t.o.v. ICT. Doctoraalscriptie.

    Wijngaards, G. (2007). Innoveren in onderwijs? Investeer in mensen. In: Kennis Loont 2007 – 2011. 24 visies van lectoren op het regeringsbeleid , 75-81. Dutch University Press.

    Bijlagen

    Thema

    Trends

    Gerelateerde thema's

    • Nieuwe leer- en werkomgeving

    Reageer

     



       
     
     
     
     
       
    Voer de tekens in die u op de afbeelding ziet

     

    Reacties

     
    Geen items gevonden