Artikel

Laatst bewerkt door Nynke Bos op 17-05-2013 19:58

Wat willen studenten met ICT in het onderwijs?

Sinds 2008 wordt bij de Faculteit der Geneeskunde jaarlijks een ‘ICT in  het Onderwijs’ enquête afgenomen. Dit jaar is deze enquête voor eerst afgenomen onder de studenten van vrijwel alle faculteiten aan de Universiteit van Amsterdam. 

De enquête probeert inzicht te krijgen in een aantal zaken. Allereerst probeert het inzicht te krijgen in het PC en smartphone bezit van de studenten. De reden hiervoor is om vast te stellen in hoeverre er aannames kunnen worden gedaan bij het opstellen van beleid. Is het zinvol om te investeren in de ontwikkeling van Apps? In hoeverre bepalen de verschillende besturingssystemen van studenten het beleid? Daarnaast probeert de enquête inzicht te krijgen in het gebruik van Social Media onder studenten. Het gebruik van Social Media kan een indicatie zijn voor de ‘soft skills’ ICT vaardigheden van studenten met betrekking tot dergelijke applicaties. Het geeft daarnaast inzicht in het gebruik van ICT applicaties in het dagelijks leven, wat een indicatie kan zijn voor de bereidheid (en gewenning) van studenten om deze applicaties in het onderwijs te gebruiken. Het laatste deel van de enquête geeft inzicht in de behoefte van studenten met betrekking tot ICT in het onderwijs. Wat vinden studenten belangrijk als het gaat om hun onderwijs en wat is hun visie omtrent een aantal stellingen? 
 
Methode
 
De enquête is uitgezet onder alle studenten van de Universiteit van Amsterdam. Een eerste mail is verstuurd de doelstellingen van de enquête en een link naar de enquête. Na twee weken is er een herinnering gestuurd. De resultaten van de enquête zijn anoniem verwerkt. 
 
Resultaten
 
De enquête is uitgezet in mei 2012 en uiteindelijk ingevuld door 2167 studenten. Hiervan is 35% man en 65% vrouw. Deze verdeling is vergelijkbaar met die van voorgaande jaren waardoor er verondersteld kan worden dat de huidige resultaten niet beïnvloed zijn door gender. Van deze studenten doet 64% een Bacheloropleiding, 31% een Masteropleiding en zit 5% in een schakeltraject of een pre-Master.
 
De Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen (FMG) (n=792) is het best vertegenwoordigd, gevolgd door de Faculteit der Geesteswetenschappen (FGw) (n=486), de Faculteit der Natuurkunde, Wiskunde en Informatica (FNWI) (n=329), de Faculteit der Rechtsgeleerdheid (FdR) (n=255), de Faculteit der Geneeskunde (GEN/AMC) (n=233; 2011: n= 149), ACTA (n=11) en de Faculteit der Economie en Bedrijfskunde (FEB) (n=10). Gezien het lage aantal respondenten binnen de FEB en ACTA zijn deze niet meegenomen in de totaaloverzichten, die in de volgende paragrafen besproken worden. 
 
Computers & Tablets
 
De overgrote meerderheid heeft een computer met een Windows besturingssysteem: 64%, waarvan het grootste deel een laptop heeft (48%) en een kleiner deel een Windows desktop (16%). Ongeveer 18% van de studenten werkt op een Mac: hiervan heeft 15% een laptop en 3% een desktop. Linux blijft het kleinst, slechts 7% van de studenten werkt met Linux. 
 
Bijna 16% van de studenten heeft een tablet PC (incl. e-reader). Hiervan bestaat 57% uit een iPad, 16% heeft een andere tablet, zoals Android en 27% heeft een e-reader. Opvallend is de hoge dichtheid van de iPads bij tandheelkunde, hier heeft 56% een iPad in zijn of haar bezit. 
 
Daarnaast heeft 2% van de studenten geen computer, laptop of tablet in zijn of haar bezit. Het spreekt natuurlijk voor zich dat een student meerdere apparaten kan bezitten. 
 
Een verdeling van het bezit per faculteit, is te vinden in de bijlagen. 
 
Mobiele telefoons
 
Android wint het duidelijk van Apple: 22% van de  studenten heeft een iPhone, 29% heeft een Android telefoon, 8% heeft een Blackberry en 5% heeft een andere smartphone met een besturingssysteem zoals Symbian of Windows Mobile. Het aantal smartphone bezitters komt hiermee in totaal op 64%. Het aandeel smartphones groeit daarmee nog steeds van 54% vorig jaar, 50% in 2010 en 28% in 2009 naar 64 % in 2012. Daarnaast zijn er ook altijd nog studenten zonder mobiele telefoon, precies 15. 
 
De Android dichtheid is het grootst bij de FNWI. Indien een student hier een smartphone heeft, is de kans 60% dat dit een Android is. Het aantal absolute smartphone bezitters is bij deze faculteit echter het laagst (54%) en het hoogst bij FdR waar 74% van de studenten een smartphone heeft. 
 
Gebruik Social Media onder studenten
 
Facebook blijft de leider in het Social Media landschap. 85% procent van de studenten geeft aan een profiel te hebben. Dit houdt in dat 15 % van de studenten dus geen Facebook profiel heeft. Ruim 68% checkt zijn of haar profiel minimaal een keer per dag, en bijna 60% doet dit meerdere malen per dag (tegenover 50% vorig jaar). Hyves is definitief afgeschreven, 91% van de studenten heeft geen profiel (vorig jaar 76%) en diegenen met profiel kijken minder dan één keer per week. Opvallend is dat de langstudeerders het minst vaak een Facebook profiel hebben. Vrouwen checken hun profiel vaker dan dat mannen dit doen.
 
Twitter kan de studenten ook nog niet echt bekoren, 70% van de studenten gebruikt Twitter niet. Van de 30% die Twitter wel gebruikt, doet 13% dit dagelijks. In het gebruik van Twitter zit een lichte trend. In 2010 hadden 15% van de studenten een Twitter account, in 2011 22% en in 2012 dus 30%. Blijkbaar is het tot studenten nog niet doorgedrongen dat Twitter een goed medium kan zijn om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in het vakgebied. 
 
Professioneel netwerken is blijkbaar nog niet zo belangrijk voor studenten. 65% heeft geen LinkedIn profiel. Studenten die wel een LinkedIn profiel hebben, maken hier niet intensief gebruik van: 27% van de studenten checkt dit account een keer per week of minder. Vorig jaar had echter slechts 13% van de studenten een LinkedIn account, dus het gebruik onder studenten neemt toe. Studenten in de Master fase van hun opleiding hebben vaker een LinkedIn profiel dan hun collega’s uit de Bacheloropleiding. 
 
Google+ wordt door 13% van de studenten meerdere keren per week bezocht, wordt door 8% van de studenten minder frequent gebruikt en 67% heeft geen profiel. 
 
Wat willen studenten met ICT in het Onderwijs
 
Op basis van een ranking vraag met vastgestelde onderwerpen hebben de studenten aangegeven waar volgens hen de prioritering binnen ICT in hun onderwijs moet liggen. Als hoogste scoort hierbij de vraag naar meer webcolleges, vooral bij de grotere opleidingen zoals FMG, FdR en GEN. 
 
Op de tweede plaats staat de wens van studenten voor meer digitale oefentoetsen. Dit verzoek staat vooral bij de faculteiten met de kleinere opleidingen op de eerste plek (FGw, FNWI), maar wordt ook zeer gewenst aan de overige faculteiten. 
 
 
De vraag of studenten meer behoefte hebben aan contact met hun docenten buiten de collegezaal om wordt door studenten niet werkelijk belangrijk gevonden.
 
Op de derde plaats wordt aangegeven dat studenten mobiele toegang tot UvA diensten via een app. Studenten geven vooral aan mobiele toegang tot Blackboard te willen hebben. Bij doorvragen blijkt dit voornamelijk te gaan om de mededelingen op Blackboard, dus niet zozeer om het mobiel toegankelijk maken van lesmateriaal zoals PowerPoints.
 
Daarnaast willen studenten graag toegang tot de roosters via een app. Ook de verschillende onderwijsmededelingen zouden via mobiele toegang toegankelijk moeten worden. Dit beeld strookt met algehele tevredenheid/ ontevredenheid over deze verschillende UvA diensten. De mobiele roostersite wordt overigens aan het begin van het collegejaar 2012-2013 gelanceerd.
 
Bij de FNWI staat echter op de derde plaats ‘meer interactie met de docent tijdens de les’ en lijkt de app minder urgent. De Geneeskunde student geeft aan meer inzicht te willen hebben in haar eigen studie. Ook hier lijkt een App minder urgent (plaats 6). Bij de overige punten is geen duidelijke lijn te ontdekken. Deze zijn te vinden in bijlage.
 
Van mindere prioriteit onder de studenten, maar wel een belangrijk onderwerp onder beleidsmedewerkers en ICT&O adviseurs, is de inzet van digitale summatieve toetsen en het gebruik van computer supported collaborative learning (CSCL). 
 
Stellingen
 
Met de stellingen over de inzet van de webcolleges geven studenten aan dat zij van mening zijn dat de beschikbaarheid van webcolleges hen tijd scheelt bij het studeren (65%). 18 % van de studenten heeft hierover geen mening. Deze observatie is gebaseerd op het gevoel van studenten en bevat derhalve geen data of dit daadwerkelijk ook zo is. Bij navraag of studenten ervaren of zij een hoger cijfer krijgen door de inzet van webcolleges beantwoordt 56% bevestigend. Het aantal studenten dat hierover geen uitspraken kan doen is 27%. 
 
Op de vraag of studenten minder vaak naar college gaan als er webcolleges beschikbaar zijn, antwoord 47% bevestigend. Met welke frequentie colleges dan worden overgeslagen is niet nagevraagd; het kan dus zijn dat dit om enkel college gaat in de vroeg ochtend of een hele collegecyclus. Ongeveer 15 % van de studenten heeft geen mening en 38% van de studenten is het niet eens met deze stelling. 
 
Als studenten hun voorkeur mogen uitspreken tussen face-to-face onderwijs of een webcollege, kiest een kleine meerderheid (61%) toch voor het werk- of hoorcollege. Bijna 18% van de studenten heeft geen mening en 21% van de studenten is hier niet mee eens: deze groep heeft liever een webcollege dan een hoor- of werkcollege. 
 
Indien de UvA tegen een redelijke vergoeding iPads of andere tablets zou verhuren aan studenten, zou 26% hiervan gebruik maken. Deze tablets zullen door studenten niet gebruikt worden om hun studieboeken op te lezen, want een grote meerderheid van 71% prefereert hardcopy tekstboeken boven een digitale versie van het studieboek. 
 
Discussie en Conclusie
 
Ondanks alle aandacht voor ‘de student van tegenwoordig’ , ’aansluiten bij de belevingswereld van de student’, en ‘de student 2.0’ lijkt de inbedding van Social Media van studenten in het dagelijks leven mee te vallen. Social Media is vooral Facebook. Het gebruik van Facebook is bij ruim 68% van de studenten gemeengoed; grofweg dus bij 2 op de 3 studenten. Het gebruik van andere Social Media applicaties lijken nog geen grote rol te spelen in het leven van de student. 
 
Studenten geven vooral aan dat de behoefte bestaat aan meer webcolleges en inzet van formatieve (digitale) oefentoetsen. Deze twee belangrijkste wensen van studenten zijn daarmee gelijk aan die van vorig jaar (faculteit Geneeskunde). 
 
Vooral bij faculteiten waar al veel colleges worden opgenomen, willen studenten bij voorkeur nog meer webcolleges tot hun beschikking hebben. Een van de verklaringen hiervoor is dat deze groep studenten al gewend is om webcolleges te gebruiken om zich voor te bereiden om het tentamen. Het is daarom voor deze groep extra hinderlijk als ze dan geen webcolleges tot hun beschikking hebben als naslagwerk. Voor studenten waarbij de colleges nog niet op structurele wijze worden opgenomen, lijkt de wens voor meer webcolleges minder aanwezig. Toch blijft het opvallend dat studenten vragen om meer webcolleges terwijl afgelopen ja(a)r(en) al een behoorlijk aantal extra colleges beschikbaar zijn gekomen. Van 936 colleges in 2008, 2.572 colleges in 2009, 4.056 in 2010 en 6.242 in 2011.  
 
Beide wensen liggen echter op het vlak van middelen die studenten extra ondersteunen bij hun (zelf)studieactiviteiten: het nogmaals doornemen van een college en het bepalen van de voortgang van leeractiviteiten door middel van een digitale toets. Op zich is dit voor studenten een logische wens aangezien beide middelen studenten ondersteunen, vrijblijvend beschikbaar worden gemaakt, waardoor studenten zelf kunnen beslissen of ze gebruik gaan maken van de webcolleges of de toetsen. Binnen de UvA, of het Hoger Onderwijs in het algemeen, is er nog geen consensus of webcolleges studenten extra helpen met studeren doordat ze moeilijke stukken kunnen terugkijken, of dat ze studenten juist aanmoedigen om studie-uitstelgedrag te vertonen en niet meer naar colleges te gaan. De vraag naar meer digitale (oefen)toetsen is ook een terugkerende wens. In beperkte mate worden dergelijke toetsen al aan studenten aangeboden, zowel als diagnostische toets of bonuspuntentoetsen. De ervaring leert echt dat vooral de hoog scorende studenten deze toetsen goed en serieus maken en dat juist de doelgroep waarvoor deze toetsen bedoeld zijn, de meerwaarde van deze toetsen niet benutten, vooral niet wanneer deze vrijblijvend worden aangeboden. 
 
De stelling dat studenten een hoger cijfer halen door de inzet van de webcolleges is louter gebaseerd op de beleving van studenten. Het is natuurlijk gemakkelijk om even iets weer op te zoeken, maar of dit ook daadwerkelijk leidt tot een hoger cijfer? Hetzelfde geldt voor de tijdsbesparing. Geldt dit voor een tijdsbesparing in het opzoeken van bepaalde feiten? Of gaat het om een tijdsbesparing omdat er een reductie kan optreden in de reistijd van de student. In vervolgonderzoeken kan deze vraag beter worden gesteld als: in de voorbereiding voor het tentamen besparen de beschikking van de webcolleges mij tijd. Opvallend is dat de beleving van de tijdsbesparing het grootst is bij de faculteit der Geneeskunde. Bij deze faculteit worden vrijwel alle colleges opgenomen, waardoor de studenten vrijwel geen tentamens hoeven voor te bereiden zonder dat zij beschikking hebben over de webcolleges; hun vergelijkingsmogelijkheid is dan ook beperkt. 
 
De inzet van webcolleges in het onderwijs leidt vrijwel altijd tot de discussie over de aan- en afwezigheid van studenten. Ruim 47% van de studenten geeft toe dat zij minder naar college gaan indien er webcolleges beschikbaar zijn. Meer dan de helft van de studenten (53%) geeft aan het collegebezoek niet aan te passen aan de beschikbaarheid van webcolleges of heeft geen mening. 
 
Tot slot geeft 61% van de studenten een specifieke voorkeur aan voor het face-to-face onderwijs. Iets minder dan 40% doet dit dus niet. Dit is opmerkelijk, omdat er tijdens het volgen van webcolleges geen interactie met de docent en andere studenten mogelijk is. 
 
Inzet van digitale summatieve toetsen en computer supported collaborative learning lijken meer beleidsthema’s te zijn dan thema’s die bij studenten een rol spelen. Een verklaring hiervoor kan zijn dat bij het beantwoorden van dergelijke vragen meer achtergrond kennis van studenten noodzakelijk is over de voordelen die dit voor hen kan opleveren in het onderwijs: zoals betere feedback op toetsen, kortere nakijktermijnen, onderwijs op maat en gevarieerdere onderwijs- en toetsvormen. Studenten kiezen daarmee vooral voor meer van hetzelfde: onderwijsmaterialen waarmee ze bekend zijn en waarvan voor hun bekend is wat het oplevert. 
 
Concreet kan geconcludeerd worden dat het op dit moment nog een brug te ver is om technieken als mobile learning structureel in te bedden in het onderwijs. Daarnaast verwachten studenten (nog) niet veel van de inzet van tablets in hun onderwijs, hoewel de Universiteit Utrecht met de opleiding Onderwijskunde bewijst dat succesvolle implementatie wel mogelijk is. Echter moet men dan gedegen te werk gaan en overgaan tot een zinvolle toepassing indien er visie ontwikkeld wordt omtrent de inzet van tablets in het onderwijs, waarbij bijvoorbeeld de nadruk komt te liggen op de interactieve mogelijkheden die dit biedt (Janssen, 13 juni 2011: iPads en Social Media in het Onderwijs, VSNU congres).
 
De meerwaarde voor mobiele technologie in het onderwijs ligt op dit moment vooral in het ontsluiten van informatie over dat onderwijs. Hierbij valt dus te denken aan zaken als Blackboard (dus niet de PowerPoints). De studenttevredenheid over Blackboard, en tevens andere UvA diensten, is overigens over het algemeen zeer hoog.
 
Studenten verwachten van ICT in het onderwijs dat dit vooral als aanvullend studiemateriaal aan hen wordt aangeboden, waarbij zij zelf kiezen of ze dit gebruiken en hoe ze dit gebruiken (webcolleges, digitaal toetsen). Van belang is om ICT in het onderwijs vooral geïntegreerd aan studenten aan te bieden, dit geldt zowel voor de inzet van de middelen (tablet e.d.) maar ook om de inzet van digitale studiematerialen. Voor louter ‘technology driven’ stellingen zijn studenten niet gevoelig; het moet een duidelijke meerwaarde bieden. 
 

In de bijlage is de gehele rapportage te vinden, inclusief een uitwerking per faculteit.

 
 
Bijlage
ictoenquete2012extern.


REACTIES

  • Afbeelding Marco Otte
     
     
     
     
     
    120

    Erg interessant! We doen bij onze studenten in Wageningen ook een jaarlijkse enquête, iets minder breed want alleen naar smartphonebezit en -gebruik. De cijfers die daar uit komen worden door dit UvA verhaal bevestigd. Ik zal nagaan of onze cijfers hier ook geplaatst kunnen worden.

    • Afbeelding Wageningen University
       
       
       
       
       
      35

      Een samenvatting van het jaarlijkse onderzoek bij Wageningen University naar het bezit en gebruik van smartphones:

      - Alle studenten die de enquête hebben ingevuld geven aan dat ze een mobiele telefoon bezitten; In 2012 heeft 58% (61% van de BSc en 55% van de MSc) van onze eerstejaars een smartphone;
      - tegen 35% (zowel BSc als MSc) van onze eerstejaars in 2011 en 28% van ál onze studenten in 2010;
      - Samsung is in 2012 met 57% van het totaal aantal smartphones verreweg de populairste smartphone, gevolgd door HTC (35%) en Apple i-phone (13%). In 2011 en 2010 waren Nokia (20%) respectievelijk Apple i-phone (34%) nog het populairst;
      - 67% van de smartphone bezitters geeft aan een Android besturingssysteem te hebben op hun smartphone;
      - 64% van de smartphone bezitters raadpleegt internet er meerdere keren per dag mee. 22% doet dit elke dag;
      - De ‘’Course Documents” in EDUweb (51%) en het “Course Schedule” in EDUweb (46%) worden het vaakst mobiel geraadpleegd (EDUweb is de onderwijsportal van Wageningen University); 
      - 90% van al onze eerstejaars BSc en MSc studenten zit op Facebook en 76% raadpleegt zijn social media elke dag; 55% van de studenten heeft Facebook wel eens gebruikt voor de studie; - Social media worden door verschillende docenten ingezet bij hun onderwijs.

      Het volledige rapport (zonder bijlages) is hier te downloaden.

       

  • Afbeelding Ruud Steltenpool
     
     
     
     
     
    150

    Als je de 3% en 4% van de Linux categorieën desktop en laptop optelt komt het totaal volgens dit bericht op 5%. Dit lijkt mij niet goed. Volgens mij moet het, afhankelijk van de onafgeronde cijfers, 6%, 7% of 8% zijn.

    Android heeft een Linux kern

    Apple op de desktop/laptop heeft een Unix kern

    Linux heeft ooit terecht het stempel "moeilijk" gekregen. De werkelijkheid is inmiddels heel anders. Het stempel kleeft nog steeds, plus bedrijven willen graag een 'eigen' merk verkopen.
    Door bewezen prestatie en gemak, vult het heel vaak en al vaker een kleiner of groter deel onder de motorkap in.

    desktop/laptop en telefoon zijn al minder echt aparte categorieën, met tablets en tussenvorm middenop die vervagende grens. En dan hebben we nog internetTV, spelcomputers met webbrowsers, etc., etc.

    En apps? Begin met webapps (alles heeft een browser) en doe dat héél goed (dus ook voor wegvallende verbindingen, kleine schermen en zwakke CPUs/batterijen). Dit kan op zo'n manier dat de eindgebruiker het verschil niet merkt. Mocht er vervolgens nog verbetering nodig zijn die native technieken kunnen bieden, pas die dan alleen voor de betreffende onderdelen toe en hergebruik de rest. (hybride app)

  • Afbeelding Sofie
     
     
     
     
     

    Ik vind het een heel interessant onderzoek en ben blij dat jullie het uitgevoerd hebben. Er zitten voor mij een aantal verassingen tussen: de e-boeken en het lage aantal smartphones. Maar ik heb wel een aantal vragen.

    Waarom zijn de vragen over e-boeken eigenlijk op zo weinig faculteiten gesteld? Wat betreft CSCL: begrepen de proefpersonen wel wat ermee bedoeld werd?

    Verder vraag ik mij nog af of er wel terecht geconcludeerd wordt dat studenten geen prioriteit stellen aan digitale toetsing en CSCL; daarmee wordt schijnbaar uitgesloten dat studenten het onwenselijk vinden. Terwijl de vraag (waar moet ICT zich voor inzetten) geen mogelijkheid tot die differentiatie biedt. Ik weet niet goed wat de achtergrond van de antwoorden bij verschillende faculteiten is. Heeft men bij rechten al goede ervaringen met digitale toetsen (omdat het daar hoger staat)?

    Ik weet dat bij geneeskunde 1 deeltentamen digitaal wordt afgenomen, daar is men over het algemeen positief over (misschien ook vanwege de vereiste plaatjes in de toets). Maar ook worden veel bonuspunttoetsen digitaal afgenomen en daarover wordt veel geklaagd (onder andere vanwege de gerandomiseerde vragenpool, die heterogene niveau's oplevert). Die bonuspunt toetsen leveren bovendien pas na een aantal dagen een uitslag op, terwijl het allemaal meerkeuze is. Daarnaast zijn nieuwe ICT implementaties bij de invoering vaak onhandig, geforceerd en van lage kwaliteit en dat kan men zich voor toetsing niet veroorloven.

    Maargoed, het punt van deze anekdote was dat het best mogelijk is dat studenten negatieve verwachtingen hebben van digitaal toetsen die de lage plaatsing van digitaal toetsen kunnen verklaren.

    Ten slotte, die 3+4=5 is inderdaad vreemd.

    • Afbeelding Nynke Bos
       
       
       
       
       
      1025

      Hoi Sofie,

      Dank voor je reactie. 

      De vraag over de e-boeken zijn niet op alle faculteiten gesteld omdat de ICT&O coordinatoren per faculteit konden bepalen welke vragen wel/ niet werden aangeboden aan studenten. Sommige faculteiten zijn in de veronderstelling dat op korte termijn toch geen e-boeken aan studenten worden aangeboden, dus daarom zijn de studenten ook niet gevraagd naar hun mening hierover omdat het weinig relevante informatie zou opleveren.

      Wat betreft je punt over CSCL heb je gelijk: studenten weten waarschijnlijk niet wat dit is, dus zeggen hier geen behoefte aan te hebben. De categorien waar ICTO zich voor moet inzetten zijn opgesteld op basis van facultair beleid en inzicht, maar boden tevens de mogelijkheid om hier iets anders in te vullen (open vraag). 

      Die bonuspunten bij Geneeskunde is weer een heel ander verhaal. "Vroeger" werd de uitslag na een dag gepubliceerd, ik weet niet zo goed waarom het tegenwoordig zo lang duurt. Juist directe feedback op dergelijke toetsen is essentieel. Bij de vragenpools is al validatie uitgevoerd, dus zouden allemaal relatief dezelfde moeilijksheidgraad moeten zijn of een bewuste mix van moeilijk/makkelijk. Ik weet wel dat er ooit voor gekozen is om de uitslag niet 'on-the-spot' te geven om het juichgedrag van studenten te voorkomen. 

      Over het amateurisme bij de implementaties ben ik het niet met je eens: kijkend naar Geneeskunde, daar hingen binnen 2 jaar in alle collegezalen een automatisch cameravolgsysteem en werden vrijwel alle colleges via Blackboard achteraf beschikbaar gesteld. Daar kan ik geen onhandigheid, lage kwaliteit of geforceerdheid in ontdekken. Maar waarschijnlijk vind ik dit zelf een goed verhaal omdat ik dit geregeld heb :-)

      Groet, Nynke

PLAATS REACTIE